Citaat | Hoge Raad 5 juli 2016

Onder 2.2.1. Hoge Raad 5 juli 2016

Een alinea uit Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1319.

Op maandag 8 oktober 2012 hoorden wij portofonisch de melding van de regionale meldkamer dat er door drie mannen zojuist was ingebroken in een woning aan de [a-straat] te Amsterdam en dat ze wegrenden in de richting van de Reinaart de Vosstraat te Amsterdam. Tijdens het aanrijden hoorden wij dat een collega van de AD1101 achter een voertuig reed welke uit de richting kwam van de plaatsdelict. Tevens zag de collega dat er drie mannen in het voertuig zaten. Samen met meerdere collega's hebben we het voertuig staande gehouden. Wij, verbalisanten, zagen dat er vier (4) manspersonen in het voertuig zaten. Wij, verbalisanten, zagen dat de persoon die op de bijrijders stoel zat negroïde was. Ik zag dat de negroïde persoon zenuwachtig om zich heen keek terwijl hij met zijn telefoon bezig was. Ik zag dat hij de Blackberry van mij verbalisant [verbalisant 8] wegdraaide toen hij zag dat ik naar zijn toestel keek. Wij, verbalisanten, hoorden portofonisch dat collega's van de AD5401 naar het plaats delict waren gegaan. We hoorden dat er een positieve inbraak in een woning en een bedrijf is geweest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2fe5af6b382153a356fc3e286dc4da4e26bc857edbabd687c4899d21b43b8b38. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2fe5af6b382153a356fc3e286dc4da4e26bc857edbabd687c4899d21b43b8b38, en de alinea staat in dat document op bytes 18086 tot 19203.