Citaat | Hoge Raad 28 juni 2016
Onder 2.3.1. Hoge Raad 28 juni 2016
Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324.
Wanneer de verschoningsgerechtigde zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Het oordeel of dit laatste het geval is komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur na overleg met een gezaghebbend vertegenwoordiger van de beroepsgroep van de verschoningsgerechtigde (zoals de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten of de Ringvoorzitter). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0434, NJ 2014/12.) Indien de rechter-commissaris - bijvoorbeeld in verband met de aard of de omvang van de inbeslaggenomen stukken of gegevens - niet in staat is zelf dat onderzoek te verrichten, zal hij het daarheen dienen te leiden dat het onderzoek wordt verricht door zodanige functionaris en op zodanige wijze dat is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet in het gedrang komt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/565ffc18cf637ea024e132457b40073e62b254f7503430aa437e3417f61fb61f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 565ffc18cf637ea024e132457b40073e62b254f7503430aa437e3417f61fb61f, en de alinea staat in dat document op bytes 16634 tot 17920.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/565ffc18cf637ea024e132457b40073e62b254f7503430aa437e3417f61fb61f | shasum -a 256