Citaat | Hoge Raad 5 juli 2016
Onder 3.2. Hoge Raad 5 juli 2016
Een alinea uit Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1405.
Het in deze zaak toepasselijke art. 383 Wetboek van Strafvordering van Aruba (hierna: SvA) is gelijkluidend aan art. 340 Sv. Naar art. 340 Sv voorschrijft, zal de eigen waarneming van de rechter, wil deze als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan, zodat ook zowel de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten. Het is in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt. Niettemin is de rechter gehouden dat wel te doen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal. (Vgl. HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2831, NJ 2011/78.) Het vorenoverwogene geldt ook voor art. 383 SvA.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc6d319fb1b27ff96319bc88ab16b917094d743952f8a59a499f9083fd45a4f0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc6d319fb1b27ff96319bc88ab16b917094d743952f8a59a499f9083fd45a4f0, en de alinea staat in dat document op bytes 30115 tot 31345.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fc6d319fb1b27ff96319bc88ab16b917094d743952f8a59a499f9083fd45a4f0 | shasum -a 256