Citaat | Hoge Raad 8 juli 2016
Onder 3.3.2 Hoge Raad 8 juli 2016
Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1438.
In geval van grensgeschil zal de feitelijke situatie veelal zo zijn, dat beide partijen op de grensstrook even veel of even weinig bezitsdaden verrichten, zodat geen van hen zich als bezitter kan beschouwen. Het is echter ook mogelijk, dat het grensgeschil juist is ontstaan doordat een van de buren de grensstrook, tezamen met de grond die onbetwist zijn eigendom is, in exploitatie heeft genomen en door het aanbrengen van een omheining zijn buurman van deze strook heeft geweerd. Kan hij dan stellen, dat hij door zijn bezit van de bewuste strook het bewijs van zijn eigendom heeft geleverd en dat er dus, behoudens tegenbewijs, geen onzekerheid over de grens bestaat? Bij het opstellen van het ontwerp is er van uitgegaan, dat in de verhouding tussen buren een daad van eigenrichting als de bovenvermelde een zo grote betekenis niet mag hebben. Om te voorkomen, dat het wettelijk vermoeden van art. 3.5.13 ook bij de berechting van grensgeschillen zou worden toegepast, is het tweede lid opgenomen. Dit tweede lid verbiedt de rechter niet, bij de beantwoording van de vraag of de grens zeker dan wel onzeker is, aan de bezitstoestand een vermoeden te ontlenen; het beoogt slechts om aan de rechter over te laten welke bewijskracht in een gegeven geval aan het bezit moet worden toegekend voor de vraag waar de grens van de eigendom loopt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60b4f2d5260b43a3c0674601b1060efa3376ddcea76d68c1adea33e6727cf27a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60b4f2d5260b43a3c0674601b1060efa3376ddcea76d68c1adea33e6727cf27a, en de alinea staat in dat document op bytes 20198 tot 21553.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/60b4f2d5260b43a3c0674601b1060efa3376ddcea76d68c1adea33e6727cf27a | shasum -a 256