Citaat | Hoge Raad 8 juli 2016
Onder 4.3.1 Hoge Raad 8 juli 2016
Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483.
Volgens Unierecht moet eenieder vergoeding kunnen vorderen van de schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, en is dit geen beletsel voor de nationale rechter om erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet uitloopt op een ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden (HvJEU 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465, NJ 2002/43, punten 26 en 30 (Courage en Crehan)). De vaststelling van de schade door de Nederlandse rechter geschiedt bij gebreke van een Unierechtelijke regeling naar Nederlands recht, met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel (vgl. HvJEU 13 juli 2006, C-295/04 en C-298/04, ECLI:EU:C:2012:685, NJ 2007/34, punten 92-97 (Manfredi)).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc962882abacd47d7cb69ba6a5c6240019379a03642e0342d0fed7923cbb8af1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc962882abacd47d7cb69ba6a5c6240019379a03642e0342d0fed7923cbb8af1, en de alinea staat in dat document op bytes 17655 tot 18502.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bc962882abacd47d7cb69ba6a5c6240019379a03642e0342d0fed7923cbb8af1 | shasum -a 256