Citaat | Hoge Raad 29 januari 2016

Onder 3.3.2 Hoge Raad 29 januari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:161.

Bij de beoordeling van de klacht wordt het volgende vooropgesteld. Ingevolge art. 5 lid 1 Wet Bopz moet de officier van justitie bij het indienen van een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging een verklaring overleggen van een psychiater die de betrokkene kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij de behandeling betrokken was. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de psychiater de betrokkene persoonlijk te onderzoeken, dat wil zeggen dat hij de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. In gevallen waarin de betrokkene niet meewerkt aan het in art. 5 lid 1 Wet Bopz bedoelde onderzoek, moet de psychiater doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het vereiste onderzoek te doen plaatsvinden (HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:187, NJ 2015/333).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d4cf6b60d83ece9ec5bebcd3df0d70738664e6c515b730e5d9c2157db911475c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d4cf6b60d83ece9ec5bebcd3df0d70738664e6c515b730e5d9c2157db911475c, en de alinea staat in dat document op bytes 9090 tot 9923.