Citaat | Hoge Raad 29 januari 2016

Onder 3.8 Hoge Raad 29 januari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162.

De tweede prejudiciële vraag stelt aan de orde of aansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:181 BW kan worden gevestigd jegens een andere bedrijfsmatige gebruiker van een dier. De vraag komt voor het onderhavige geval erop neer of het antwoord op de eerste prejudiciële vraag anders luidt indien geen sprake is van medebezitters van het dier, maar dat dier wordt gebruikt in een door de benadeelde en de aangesproken persoon of personen gezamenlijk uitgeoefend bedrijf (hierna verder aan te duiden als: bedrijfsmatige medegebruikers). Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. De hiervoor gegeven argumenten voor afwijzing van aansprakelijkheid jegens medebezitters van dieren zijn ook argumenten voor afwijzing van aansprakelijkheid jegens bedrijfsmatige medegebruikers van dieren. De omstandigheid dat (ook) de benadeelde bedrijfsmatige medegebruiker profijt van het dier trekt, is zelfs een bijkomend argument voor die afwijzing. Ook ligt het bij bedrijfsmatig gebruik van dieren, nog meer dan bij het houden van dieren in de privésfeer, voor de hand om de daaraan verbonden risico’s van schade af te dekken door een verzekering (zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/856896d029e92409775970e524bfe0e95a7a00fff90a4a9c4adee62b5e54e5fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 856896d029e92409775970e524bfe0e95a7a00fff90a4a9c4adee62b5e54e5fd, en de alinea staat in dat document op bytes 23708 tot 24904.