Citaat | Hoge Raad 2 februari 2016

Onder 2.2.2. Hoge Raad 2 februari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:174.

Ik ben een taxateur. Vanaf 2000 ben ik gaan werken bij [C] . Zo'n vijf jaar geleden ben ik vertrokken bij [C] en ben ik zelfstandig begonnen als makelaar/taxateur. Ik sta ingeschreven in het register VastgoedCert. U toont mij het taxatierapport "Percelen weiland aan de [a-straat] te Baarn" opgemaakt door [verdachte] van 13 april 2005, gecodeerd D-130. Ik herken mijn handtekening. De inhoud komt mij ook bekend voor. [betrokkene 1] staat met naam genoemd in dit taxatierapport, maar de feitelijke opdracht heb ik ontvangen van [betrokkene 2] van [C] . Hij heeft mij verteld dat de taxatie in opdracht was van [betrokkene 1] . Het doel van het opmaken van het taxatierapport is mij verteld door [betrokkene 2] want [betrokkene 1] wilde het op dat moment kopen. Dus deze taxatie was ten behoeve van een aankoop door [betrokkene 1] .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7f78c8b718fd82a0748446310897cbb2f353cb6edd6bf9af8b0c4d61b813ee61. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7f78c8b718fd82a0748446310897cbb2f353cb6edd6bf9af8b0c4d61b813ee61, en de alinea staat in dat document op bytes 8910 tot 9755.