Citaat | Hoge Raad 5 februari 2016
Onder 3.3.7 Hoge Raad 5 februari 2016
Een alinea uit Hoge Raad 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:196.
Onderdeel 1.1.2 ziet om te beginnen eraan voorbij dat uit rov. 4.19 volgt dat naar het oordeel van het hof voor de gemiddelde vakman tempo niet een stof was waarmee hetzelfde resultaat bereikt kon worden als met rutheniumzout, zodat reeds daarom niet van equivalentie sprake kan zijn. Voorts miskent het dat het bij de hier aan de orde zijnde vraag erom gaat of in de perceptie van de gemiddelde vakman de conclusies, gelezen in het licht van de beschrijving en de tekeningen, ruimte laten voor equivalenten, gelet op enerzijds een adequate bescherming van de octrooihouder en anderzijds de rechtszekerheid voor derden. Daarbij speelt de wil of de bedoeling van de aanvrager om van die bescherming afstand te doen, geen beslissende rol. Voor het overige bouwen de klachten van onderdeel 1.1.2, evenals die van onderdeel 1.1.3, voort op die van onderdeel 1.1.1, zodat die het lot daarvan moeten delen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ed51ba1acffe97915812ba165c32f3397c61eabfe9f0c621f2613abd7cddeeb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ed51ba1acffe97915812ba165c32f3397c61eabfe9f0c621f2613abd7cddeeb, en de alinea staat in dat document op bytes 45076 tot 46027.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6ed51ba1acffe97915812ba165c32f3397c61eabfe9f0c621f2613abd7cddeeb | shasum -a 256