Citaat | Hoge Raad 5 februari 2016

Onder 3.1 Hoge Raad 5 februari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:199.

“(...) Daargelaten het antwoord op de vraag of de nog uit te factureren werkzaamheden rechtstreeks voortvloeien uit reeds bestaande rechtsbetrekkingen ten tijde van het opmaken van de laatste pandlijsten (met betrekking tot sommige opdrachten moeten ook in het faillissement nog werkzaamheden worden verricht om überhaupt tot een uitfactureren te kunnen komen), deel ik uw visie niet dat m.b.t. het onderhanden werk dat na faillissementsdatum wordt uitgefactureerd de alsdan ontstane vorderingen onder het pandrecht van de bank vallen. (...) Anders dan u aanneemt, zullen de vorderingen m.b.t. de na faillissementsdatum door mij uitgefactureerde werkzaamheden dan ook niet op de debiteurenlijst (met de stand per faillissementsdatum) zoals ik u die ter hand zal stellen, staan vermeld. (...) Mochten er buiten deze (handels) debiteuren nog andere vorderingen zijn (hetgeen mij overigens niet bekend is) dan staat het de bank vrij in de administratie van de failliete vennootschap daarnaar onderzoek te verrichten.(...)”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/46e2c28558b2d0fc51000ee387c685d1b712ad0ee7f52ce97143a831d05ef1c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 46e2c28558b2d0fc51000ee387c685d1b712ad0ee7f52ce97143a831d05ef1c5, en de alinea staat in dat document op bytes 11169 tot 12207.