Citaat | Hoge Raad 6 september 2016

Onder 2.8. Hoge Raad 6 september 2016

Een alinea uit Hoge Raad 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018.

De Rechtbank heeft zich bij haar verwerping van het verweer in het bijzonder aangesloten bij de overwegingen en beslissingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:770, NJ 2014/268 en geoordeeld dat de "enkele omstandigheid dat de verdachte tijdens zijn verhoor door de politie niet feitelijk is bijgestaan door zijn raadsvrouw dan wel hem niet de mogelijkheid daartoe is geboden, [niet] maakt (...) dat reeds daarom de verklaring van verdachte niet voor het bewijs kan worden gebezigd". Bij haar oordeel heeft de Rechtbank betrokken dat de "verdachte zowel op de dag van zijn aanhouding als voorafgaand aan zijn eerste verhoor twee dagen later zijn advocaat heeft kunnen consulteren en voorafgaand aan zijn verhoor ook daadwerkelijk heeft geconsulteerd, en dat gesteld noch gebleken is dat verdachte nadien de politie te kennen heeft gegeven gebruik te willen maken van (fysieke) rechtsbijstand tijdens zijn verhoor".

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f07d06899ca115e1b258b087f04141039b74a073d484f72e0a6ebde479e35503. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f07d06899ca115e1b258b087f04141039b74a073d484f72e0a6ebde479e35503, en de alinea staat in dat document op bytes 26780 tot 27738.