Citaat | Hoge Raad 23 september 2016

Onder 3.4.4 Hoge Raad 23 september 2016

Een alinea uit Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2184.

Ingevolge art. 10 HKV 1996 is de echtscheidingsrechter bevoegd indien (a) op het tijdstip van de aanvang van de procedure een van de ouders zijn of haar gewone verblijfplaats heeft in de betrokken staat en een van hen de ouderlijke verantwoordelijkheid over het kind heeft, en (b) de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter om dergelijke maatregelen te nemen zowel door de ouders is aanvaard, als door enige andere persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het kind, en het belang van het kind daarmee is gediend. De bevoegdheid eindigt zodra de beslissing betreffende de inwilliging of de afwijzing van het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of de nietigverklaring van het huwelijk definitief is geworden, of de procedure om een andere reden een einde heeft genomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/365d1abe01f86d75f29370b52941fc051b1a70f48185a2ab43a07cc94fb04e28. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 365d1abe01f86d75f29370b52941fc051b1a70f48185a2ab43a07cc94fb04e28, en de alinea staat in dat document op bytes 20562 tot 21390.