Citaat | Hoge Raad 27 september 2016

Onder 2.2.1. Hoge Raad 27 september 2016

Een alinea uit Hoge Raad 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191.

Ik weet niet meer hoe het kwam maar ik draaide me om naar de deur van het café. Ik zag dat de deur open schoot. Ik hoorde geschreeuw. Ik zag een stuk of vijftien à twintig mannen en vrouwen naar buiten rennen. Ik stond op vijfentwintig à dertig meter afstand van de deur. Voor ik het wist lag ik op de grond. Ik lag met mijn gezicht naar grond. Ik voelde pijn aan mijn gezicht. Volgens mij had ik toen al een bloedneus. Ik kan de pijn niet echt omschrijven. Mijn neus deed pijn. Ik voelde mij niet in staat om op te staan. Ik keek omhoog en ik zag een persoon op mij af komen. Voordat ik het door had kreeg ik een trap in mijn gezicht. Ik voelde dat de trap met kracht gegeven was. Ik voelde direct hevige pijn aan mijn gezicht. Ik weet niet hoe die persoon mij een trap gaf. Ik weet het echt niet meer. Ik weet wel dat de persoon bewust naar mij toe kwam lopen toen ik op de grond lag. Ik zag ook nog dat de persoon bewust in mijn gezicht een trap gaf. Dit omdat hij ter hoogte van mijn hoofd stond. Ik heb het gevoel dat ik toen even weg ben geweest. Een soort van bewusteloos.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/215c64fbb5ba428899ffc0d3c7ac8c72f57ffd062a30544d16533b2ef576b7aa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 215c64fbb5ba428899ffc0d3c7ac8c72f57ffd062a30544d16533b2ef576b7aa, en de alinea staat in dat document op bytes 10464 tot 11559.