Citaat | Hoge Raad 30 september 2016

Onder 3.9.2. Hoge Raad 30 september 2016

Een alinea uit Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2195.

Voor een bevestigend antwoord op de hiervoor in 3.9.1 omschreven vraag pleit dat de tekst van artikel 221, lid 3, van het CDW de douaneschuld niet onderscheidt naar het gedeelte waarvoor een mededeling is gedaan en tegen welke mededeling beroep is ingesteld, en het gedeelte van dezelfde douaneschuld dat nog niet door de douaneautoriteiten is ontdekt. Deze uitleg zou betekenen dat, indien de douaneschuld ten dele door de douaneautoriteiten is opgeëist met het doen van de in artikel 221, lid 1, van het CDW bedoelde mededeling en door de douaneschuldenaar op de voet van artikel 243 van het CDW tegen die mededeling beroep is ingesteld, de termijn van navorderen van eventueel nader na te vorderen bedragen verlengd wordt met de duur van dat beroep, ook indien de duur van dat beroep de in artikel 221, lid 3, eerste volzin, van het CDW bedoelde termijn van drie jaar overschrijdt en ongeacht het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een douaneschuld die is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was. Met andere woorden, door het instellen van beroep tegen een mededeling als bedoeld in artikel 221, lid 1, van het CDW maakt de douaneschuldenaar het voor de douaneautoriteiten mogelijk (telkens) verdere bedragen na te vorderen zolang het beroep duurt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e015585046d80555f1b32fa9856fc684908bec6e3a9141fd427d462d4dd2d0b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e015585046d80555f1b32fa9856fc684908bec6e3a9141fd427d462d4dd2d0b, en de alinea staat in dat document op bytes 83600 tot 84944.