Citaat | Hoge Raad 30 september 2016

Onder 3.4.2 Hoge Raad 30 september 2016

Een alinea uit Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2233.

Art. XXXIX lid 4 Wet opheffing bedrijfslichamen, op welke bepaling het betoog van Vrebamel in hoofdzaak berust, is, waar het spreekt over het instellen van rechtsvorderingen door de minister, aldus te verstaan dat het betrekking heeft op diens vertegenwoordigingsbevoegdheid. Hetzelfde geldt voor art. XLIX Wet opheffing bedrijfslichamen voor zover het burgerlijke gedingen betreft. Uit de wet en de wetsgeschiedenis (aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5) blijkt immers niet dat is beoogd om de minister procesbevoegdheid toe te kennen. Een bijzondere grond voor het aannemen van die bevoegdheid valt ook niet aan de wet of de wetsgeschiedenis te ontlenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcc8e8fc96a575a415b014a4af11547f955239ca5dfb3695800ad0a3efdcbbfd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcc8e8fc96a575a415b014a4af11547f955239ca5dfb3695800ad0a3efdcbbfd, en de alinea staat in dat document op bytes 11680 tot 12374.