Citaat | Hoge Raad 4 oktober 2016
Onder 3.2.4. Hoge Raad 4 oktober 2016
Een alinea uit Hoge Raad 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241.
Uit de verklaring van een psycholoog blijkt dat bij [betrokkene 1] in ieder geval op een moment sprake is geweest van PTSS. Daaruit is echter niet af te leiden of dat ziektebeeld en de overige schade is ontstaan ten gevolge van de schok die teweeg is gebracht door de confrontatie. In een zaak waarover de rechtbank Amsterdam op 19 september 2014 oordeelde, was eveneens gebleken dat de benadeelde partij onder behandeling was bij een psycholoog voor een posttraumatische stress-stoornis. De rechtbank overwoog dat uit de overgelegde stukken weliswaar bleek "dat thans sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar niet dat dit ziektebeeld is veroorzaakt door de schok ten gevolge van de confrontatie (...). Dat sprake is van shockschade is dus onvoldoende onderbouwd" (ECLI:NL:RBAMS:2014:6120). Bovendien is de omvang van de eventuele - zou dat al blijken - shockschade lastig vast te stellen. In casu wordt voor [betrokkene 1] een bedrag gevorderd van € 25.000,-, hetzelfde bedrag als de bedragen die worden gevorderd voor de andere kinderen en voor nicht [betrokkene 2]. Terwijl hun situatie, voor zover het mogelijke "shockschade" betreft, niet te vergelijken is. Vanzelfsprekend is het tot een bepaalde hoogte altijd een kwestie van invullen en schatten, als aan immateriële schade een bedrag moet worden toegekend. Het gaat in casu echter om grote bedragen, terwijl niet méér bekend is dan dat kennelijk PTSS is gediagnosticeerd. In de meeste strafzaken, waarin tot toekenning van een vergoeding voor shockschade is overgegaan (waar dus per definitie eveneens sprake was van een bijzonder heftige confrontatie die een schok teweeg heeft gebracht), worden bedragen toegekend die niet in de buurt komen van het gevorderde bedrag (zie bijvoorbeeld een arrest van het Hof Amsterdam van 20-03-2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9391), waarin een bedrag van € 6000 is toegekend, of een vonnis van de rechtbank Limburg van 24 november 2014 (ECLI:NL:RBLIM: 2014:10063), waarin tussen de € 2500 en € 5000 is toegekend aan de kinderen die aanwezig waren toen hun (stief-)vader werd doodgestoken). Kennelijk zou er een reden zijn om i.c. tot een veel hoger bedrag te komen. Wat en waarom dat zo zou zijn, blijkt echter niet. Door de raadsman van de benadeelde partijen wordt in zijn algemeenheid verwezen naar uitspraken, waarin tienduizenden euro's zijn toegekend. Niet gesteld wordt dat van vergelijkbare feiten én van vergelijkbare schade ten gevolge van de schok sprake zou zijn. De vijf meest recente uitspraken waarnaar wordt verwezen, betreffen bovendien uitspraken van civiele rechtbanken of gerechtshoven, waarin uitvoerig is stilgestaan bij (het bepalen van de hoogte van) de schade en het causaal verband tussen confrontatie en schade (bijvoorbeeld door psychiaters op de zitting te horen en door voeging van meerdere psychiatrische rapporten aan de stukken). Ook in casu, waar kennelijk reden zou zijn om tot een bijzonder hoge vergoeding van shockschade over te gaan, zou daarmee zorgvuldig om moeten worden gegaan; zorgvuldiger dan een - voor zover bekend - volstrekt willekeurig bedrag van € 25.000. Dat nader uitzoeken c.q. onderbouwen zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, reden dat ik uw hof verzoek ook dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0c80d45efc211d4c606e1c216ef2d094d13c8edce31b4cf5b194d1dd0492f190. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0c80d45efc211d4c606e1c216ef2d094d13c8edce31b4cf5b194d1dd0492f190, en de alinea staat in dat document op bytes 14948 tot 18291.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0c80d45efc211d4c606e1c216ef2d094d13c8edce31b4cf5b194d1dd0492f190 | shasum -a 256