Citaat | Hoge Raad 12 februari 2016

Onder 3.5.2 Hoge Raad 12 februari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233.

Het oordeel van het hof is temeer onbegrijpelijk in het licht van het feit – waarop het onderdeel mede wijst – dat [eiser] in de feitelijke instanties heeft gesteld (a) dat er in 2007 geen reden was om aan te nemen dat [C] haar aandeel in de kosten in dat jaar of in 2008 niet zou kunnen betalen, (b) dat [betrokkene] (bestuurder van [C] ) niet zelf kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn aandeel in de kosten niet zou kunnen gaan betalen, (c) dat [eiser] wel al vóór augustus/september 2008 geregeld de urenstaten en daarmee het onderhanden werk van [betrokkene] in de gaten hield en geregeld hem op zijn werkhouding heeft aangesproken maar dat hij overigens geen zeggenschap had over het doen en laten van [betrokkene] en [C] en (d) dat hij, toen hij bemerkte dat [betrokkene] een vertekend beeld gaf van het werk dat hij verrichtte, de deken van de plaatselijke Orde van Advocaten heeft ingeschakeld. Het hof is niet ingegaan op deze stellingen, die ertoe strekken dat [eiser] geen kennelijk onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten met betrekking tot het teruglopen van de omzet bij [C] als oorzaak van het faillissement van [A] .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/691e1c587f4490b1a80ed56dfab29cf1ea92a6c4302d6f923230d9823d2e0b2a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 691e1c587f4490b1a80ed56dfab29cf1ea92a6c4302d6f923230d9823d2e0b2a, en de alinea staat in dat document op bytes 14402 tot 15559.