Citaat | Hoge Raad 25 oktober 2016

Onder 1.2.2. Hoge Raad 25 oktober 2016

Een alinea uit Hoge Raad 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2412.

[slachtoffer 1] en ik zijn op 12 juli 2003 om ongeveer 12.55 uur naar het postkantoor gereden. (...) Wij waren rond 13.10 uur terug. (...) [slachtoffer 1] ging achter zijn bureau zitten. Ik zat op een stoel voor het bureau. (...) Toen [slachtoffer 2] even later de koffie kwam brengen, liep ook [slachtoffer 3] het kantoor binnen. [slachtoffer 1] was op dat moment bezig om een aankoopbon voor de BMW uit te schrijven. [slachtoffer 2] verliet daarop het kantoortje. [slachtoffer 3] bleef bij ons in het kantoortje. Zij zat op een stoel ter hoogte van de archiefkast. (...) Toen [slachtoffer 1] de aankoopbon had uitgeschreven, schoof hij deze naar mij toe. (...) Een kopie van het kentekenbewijs stopte hij bij het mapje met de papieren. (...) Ik stond vervolgens op en stopte de autopapieren in mijn linkerachterzak. (...) De autosleutel van de BMW werd door [slachtoffer 1] bovenop de papieren gelegd. Ik heb deze sleutel opgepakt en (...) verliet het kantoortje. (...) Ik liep via de deur met het vliegengordijn de woning in. (...) Ik liep naar buiten via de ingang met het vliegengordijn. (...) Ik rende naar de BMW. (...) Ik heb de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] gezien op het bedrijfsterrein.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97bcbc78233d4f2a4f90d07dc802059b452d33bfb4f037c43dd28136e9bfb438. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97bcbc78233d4f2a4f90d07dc802059b452d33bfb4f037c43dd28136e9bfb438, en de alinea staat in dat document op bytes 11401 tot 12632.