Citaat | Hoge Raad 28 oktober 2016
Onder 2.3.2. Hoge Raad 28 oktober 2016
Een alinea uit Hoge Raad 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2430.
In overeenstemming hiermee komt een ondernemer geen beroep toe op het (Unierechtelijke of nationaalrechtelijke) vertrouwensbeginsel in een geval waarin komt vast te staan dat de ondernemer wist dan wel had moeten weten dat hij betrokken was bij omzetbelastingfraude (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van 7 december 2010, R, C-285/09, ECLI:EU:C:2010:742, punt 54, en het arrest Italmoda, punten 60 en 62). De inspecteur kan daarom in een dergelijk geval ook omzetbelasting naheffen wanneer hij aanvankelijk op grond van door de belanghebbende verstrekte informatie heeft bewilligd in het in aftrek brengen van omzetbelasting, terwijl deze op grond van de wettelijke bepalingen niet in rekening gebracht had mogen worden. Daarbij is niet van belang of belanghebbende zelf met die omzetbelastingfraude voordeel heeft behaald (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2006, Kittel en Recolta, gevoegde zaken C-439/04 en C-440/04, ECLI:EU:C:2006:446, V-N 2006/42.13, punten 56 tot en met 58).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/76a2854da75c9778c564ab9201f1a5bff0dabd5e969ef483adeadde366f52d85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 76a2854da75c9778c564ab9201f1a5bff0dabd5e969ef483adeadde366f52d85, en de alinea staat in dat document op bytes 12727 tot 13746.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/76a2854da75c9778c564ab9201f1a5bff0dabd5e969ef483adeadde366f52d85 | shasum -a 256