Citaat | Hoge Raad 19 februari 2016

Onder 4.2. Hoge Raad 19 februari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

Bij zijn hiervoor in 2.2.3 weergegeven overwegingen is het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat een redelijke termijn voor de Rechtbank om na het arrest BNB 2010/156 opnieuw te beslissen, een jaar en twee maanden bedroeg. Dat uitgangspunt is onjuist. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen dient voor de behandeling van deze zaak in eerste aanleg het tijdsverloop in aanmerking te worden genomen tot het moment waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan nadat het verzet gegrond is verklaard en zij het onderzoek op de voet van artikel 8:55, lid 9, Awb heeft voortgezet. Daarbij behoort de duur van de cassatiefase niet in aanmerking te worden genomen. Indien het Hof een ander uitgangspunt heeft gehanteerd, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat bijzondere omstandigheden in dit geval meer dan twee jaar voor het totale tijdsverloop in eerste aanleg rechtvaardigden, heeft het zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd, aangezien het Hof niets heeft vastgesteld omtrent dergelijke omstandigheden. De klachten slagen in zoverre.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abe2de52be49b177df6c279b4f4809418c3413934c6b62688956a3566bc57058. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abe2de52be49b177df6c279b4f4809418c3413934c6b62688956a3566bc57058, en de alinea staat in dat document op bytes 54994 tot 56095.