Citaat | Hoge Raad 19 februari 2016

Onder 3.14.1. Hoge Raad 19 februari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

Indien de rechter het (hoger) beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb toekent, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende te laten vergoeden en, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198). Dit is niet anders indien de rechter over de vergoeding van immateriële schade beslist in een afzonderlijke, nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, Awb.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/abe2de52be49b177df6c279b4f4809418c3413934c6b62688956a3566bc57058. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt abe2de52be49b177df6c279b4f4809418c3413934c6b62688956a3566bc57058, en de alinea staat in dat document op bytes 49844 tot 50657.