Citaat | Hoge Raad 8 november 2016
Onder 2.3. Hoge Raad 8 november 2016
Een alinea uit Hoge Raad 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2529.
Naar het oordeel van het hof is hier sprake van zo'n geval. Het gaat hier om het belangrijke strafvorderlijke voorschrift dat toepassing van de genoemde dwangmiddelen/opsporingsbevoegdheden slechts plaatsvindt indien minst genomen sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Dat was hier vrij evident niet het geval. De onderhavige zaak leent zich er naar het oordeel van het hof voor om, gelet op alle omstandigheden (waartoe tevens behoort dat geen sprake is van (directe) slachtoffers die aanspraak kunnen maken op waarheidsvinding en berechting), tot bewijsuitsluiting te komen, teneinde opsporingsambtenaren in te scherpen dat zij dienen te handelen in overeenstemming met de genoemde norm.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c570d06158776e1270454437bcc8e47f294f9d121d748cccf20363ae5e777baf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c570d06158776e1270454437bcc8e47f294f9d121d748cccf20363ae5e777baf, en de alinea staat in dat document op bytes 11265 tot 11978.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c570d06158776e1270454437bcc8e47f294f9d121d748cccf20363ae5e777baf | shasum -a 256