Citaat | Hoge Raad 18 november 2016
Onder 3.5.2 Hoge Raad 18 november 2016
Een alinea uit Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2607.
De wet gaat ervan uit dat de kosten van een enquête steeds door de rechtspersoon worden betaald (art. 2:350 lid 3 BW). Hiervan uitgaande, ligt het voor de hand dat art. 2:354 BW alleen de rechtspersoon aanwijst als degene die een verzoek tot verhaal van deze kosten kan doen. Daarbij is echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de rechtspersoon niet zelf de (volledige) kosten van het onderzoek kan opbrengen, en degenen die de enquête hebben verzocht (een deel van) die kosten voor hun rekening nemen, bijvoorbeeld omdat zij een eigen belang hebben bij de enquête. Een zodanig geval kan zich voordoen bij faillissement van de rechtspersoon (vgl. de situatie die aan de orde was in HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210 (KPNQwest)). Mede tegen deze achtergrond brengt een redelijke uitleg van art. 2:354 BW mee dat ook de verzoekers van de enquête kunnen verzoeken de door hen betaalde kosten van het onderzoek op de voet van deze bepaling te kunnen verhalen. Het onderdeel gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt daarom.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d4ef07ec4593e0656c3b2dadb50e65d317cd56d137d596133443d4188438d10a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d4ef07ec4593e0656c3b2dadb50e65d317cd56d137d596133443d4188438d10a, en de alinea staat in dat document op bytes 21173 tot 22248.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d4ef07ec4593e0656c3b2dadb50e65d317cd56d137d596133443d4188438d10a | shasum -a 256