Citaat | Hoge Raad 18 november 2016
Onder 4.8 Hoge Raad 18 november 2016
Een alinea uit Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2640.
Het hof begrijpt dat dit voorbeeld uit de PG aldus moet worden verstaan dat wanneer een derde (vergelijkbaar met Fraanje) redelijkerwijs mocht aannemen dat X eigenaar was, artikel 3:36 BW kan meebrengen dat de derde een geldige, niet wegens onjuistheid van deze veronderstelling aan te tasten koopovereenkomst met X heeft gesloten, maar dat, indien na de koop maar vóór de levering van de onjuistheid van deze veronderstelling blijkt, bijvoorbeeld omdat inmiddels duidelijk is geworden dat niet X maar Y (vergelijkbaar met FGH) eigenaar is en was, de derde artikel 3:36 BW niet meer met vrucht kan inroepen bij de levering, met als gevolg dat de levering door X een levering door een beschikkingsonbevoegde vormt die niet tot overdracht aan de derde leidt. Met andere woorden: artikel 3:36 BW beschermt dan niet tegen de beschikkingsonbevoegdheid van X bij de levering. Verder is het van belang op te merken dat na de zojuist geciteerde passage uit de PG op dezelfde blz. staat vermeld:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/02aff19c2b7a9c580d7f936d78909ec5d3e3447fe7abb8f98a1bd0c1eb784273. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 02aff19c2b7a9c580d7f936d78909ec5d3e3447fe7abb8f98a1bd0c1eb784273, en de alinea staat in dat document op bytes 20249 tot 21251.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/02aff19c2b7a9c580d7f936d78909ec5d3e3447fe7abb8f98a1bd0c1eb784273 | shasum -a 256