Citaat | Hoge Raad 18 november 2016

Onder 5.2.2 Hoge Raad 18 november 2016

Een alinea uit Hoge Raad 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2640.

Anders dan het onderdeel voorts betoogt, is voor bescherming op grond van art. 3:36 BW niet vereist dat de derde door zijn in vertrouwen op de schijn verrichte handeling in een nadeliger positie is komen te verkeren dan waarin hij zich voorafgaand aan die handeling bevond, of dat de derde nadeel zou lijden bij het onthouden van bescherming. De tekst van de bepaling geeft geen grond voor zodanige eis, en in Parl. Gesch. Boek 3, p. 176-177, is uitdrukkelijk vermeld dat deze eis in art. 3:35 BW niet wordt gesteld, evenmin als in “de meeste andere artikelen van het nieuwe wetboek, waarin zij die op een jegens hen bestaande schijn hebben vertrouwd, beschermd worden”, in welk verband ook art. 3:36 BW is genoemd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/02aff19c2b7a9c580d7f936d78909ec5d3e3447fe7abb8f98a1bd0c1eb784273. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 02aff19c2b7a9c580d7f936d78909ec5d3e3447fe7abb8f98a1bd0c1eb784273, en de alinea staat in dat document op bytes 27221 tot 27953.