Citaat | Hoge Raad 25 november 2016

Onder 3.2.2. Hoge Raad 25 november 2016

Een alinea uit Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2686.

3.2.3.De aard van de bevoegdheid tot verschoning van een advocaat, brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan die advocaat. Indien deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven en geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan gediend hebben en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Daarbij doet niet ter zake of de in het geding zijnde geschriften zich bij de advocaat zelf of bij diens cliënt bevonden. Vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d1f9b1a3ffdb68ab4a5df1407bb12f65f82b5a75f2e694573645bbb5b16a2b32. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d1f9b1a3ffdb68ab4a5df1407bb12f65f82b5a75f2e694573645bbb5b16a2b32, en de alinea staat in dat document op bytes 21696 tot 22517.