Citaat | Hoge Raad 29 november 2016

Onder 3.5. Hoge Raad 29 november 2016

Een alinea uit Hoge Raad 29 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2714.

Tot 1 juli 2011 was - voor zover in dit verband van belang - slechts ontneming mogelijk op grond van art. 36e, derde lid, Sr indien tegen de betrokkene een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld en indien, gelet op dat onderzoek, aannemelijk was geworden dat het feit waarvoor de betrokkene was veroordeeld of andere strafbare feiten ertoe hadden geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel had verkregen. De inwerkingtreding van art. 36e, derde lid, Sr in zijn huidige vorm, waarin het vereiste dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld is vervallen, houdt derhalve een uitbreiding in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld, zijn begaan vóór 1 juli 2011 en dat niet is gebleken dat jegens de betrokkene een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, heeft het Hof miskend dat het in art. 1, eerste lid, Sr vervatte legaliteitsbeginsel meebrengt dat art. 36e, derde lid, Sr in zijn huidige vorm ten aanzien van de betrokkene buiten toepassing dient te blijven. Het middel klaagt daarover terecht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dedc4ebb0f488cccc778b6594a58383349a99f19f8b7a815e97ac6ecabbd0e4b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dedc4ebb0f488cccc778b6594a58383349a99f19f8b7a815e97ac6ecabbd0e4b, en de alinea staat in dat document op bytes 13594 tot 14748.