Citaat | Hoge Raad 2 december 2016

Onder 3.4.2 Hoge Raad 2 december 2016

Een alinea uit Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2755.

Voor de toepassing van de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, Fw is vereist dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt (zie laatstelijk HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2348, NJ 2016/453). Indien een schuldenaar aanvoert dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van gedragingen die op zichzelf genomen grond opleveren voor tussentijdse beëindiging, omdat hij lijdt aan een psychische aandoening, mag in beginsel van hem worden gevergd dat hij verklaart waarom zijn aandoening eraan in de weg stond – eventueel met hulp van derden – (alsnog) aan zijn verplichtingen te voldoen (vgl. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2286, NJ 2016/451).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db6e2ca9e90b2028afd10b5baebfdb5d3234d28f94967438db6e379622f19cbc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db6e2ca9e90b2028afd10b5baebfdb5d3234d28f94967438db6e379622f19cbc, en de alinea staat in dat document op bytes 14394 tot 15101.