Citaat | Hoge Raad 2 december 2016

Onder 3.3.2 Hoge Raad 2 december 2016

Een alinea uit Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2756.

Uit rov. 3.16.3 van het hiervoor in 3.3.1 vermelde arrest van 28 maart 2014 blijkt dat de grond voor het niet heffen van griffierecht in de procedure betreffende overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de omstandigheid dat de partij die de vordering instelt, reeds griffierecht heeft betaald in de zaak waarin (beweerdelijk) de redelijke termijn is overschreden. Daarbij is een vergelijking gemaakt met de gevallen bedoeld in art. 4 leden 1 en 2 Wet griffierechten burgerlijke zaken. Vervolgens is overwogen: ″Voor het overige dient die procedure te verlopen volgens de in het algemeen geldende regels.″ In deze overwegingen ligt besloten dat de regel van art. 237 Rv ook in een procedure als in die overweging bedoeld, van toepassing blijft. Daarbij verdient opmerking dat het risico van een proceskostenveroordeling bij de in Nederland voor dit soort zaken geldende tarieven geen onaanvaardbare drempel oplevert om op te komen tegen een (gestelde) schending van door het EVRM gewaarborgde rechten. Het middel faalt dan ook.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4884a33a1976a54d8b7bb68b1b75c87be50032345d42149862398ac287b663c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4884a33a1976a54d8b7bb68b1b75c87be50032345d42149862398ac287b663c5, en de alinea staat in dat document op bytes 8809 tot 9865.