Citaat | Hoge Raad 6 december 2016
Onder 2.4.6. Hoge Raad 6 december 2016
Een alinea uit Hoge Raad 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2768.
In het hier bedoelde geval komt toepassing van bewijsuitsluiting slechts in aanmerking indien aannemelijk is geworden dat die toepassing in de gegeven omstandigheden daadwerkelijk de beoogde normerende werking op de praktijk van opsporing en vervolging zal hebben, waarbij van belang kan zijn wat de oorzaak van het vormverzuim is en wat (reeds) door de verantwoordelijke autoriteiten ter voorkoming van overtreding van het bewuste voorschrift is ondernomen. In het geval zodanig preventief effect op zichzelf is te verwachten, moet worden onderzocht of in de gegeven omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting opweegt tegen de daarvan te verwachten negatieve effecten en of aldus niet op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende belangen als de waarheidsvinding en de bestraffing van de dader van een - mogelijk zeer ernstig - strafbaar feit, alsmede in voorkomend geval aan de rechten van slachtoffers of hun nabestaanden, mede gelet op uit het EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen tot effectieve bestraffing.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7caae98a7b0341467de4dd4aa6265caaf135ecec315f7bca3e5d4e92ec63f974. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7caae98a7b0341467de4dd4aa6265caaf135ecec315f7bca3e5d4e92ec63f974, en de alinea staat in dat document op bytes 23983 tot 25038.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7caae98a7b0341467de4dd4aa6265caaf135ecec315f7bca3e5d4e92ec63f974 | shasum -a 256