Citaat | Hoge Raad 13 december 2016

Onder 2.2.2. Hoge Raad 13 december 2016

Een alinea uit Hoge Raad 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2849.

Met betrekking tot feit 3 overweegt het hof voorts nog dat het kennelijke doel om aan de aantijgingen ruchtbaarheid te geven naar het oordeel van het hof bevestiging vindt in het gegeven dat, nadat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] - verdachtes moeder - aangever [betrokkene 5] ten overstaan van de getuige [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hadden beschuldigd van het plegen van ontucht met verdachtes zoon en andere kinderen, op enig moment door die medeverdachte aan de getuige [betrokkene 4] is gevraagd of zij al meer wist over de beschuldiging van [betrokkene 5] (hof: aangever [betrokkene 5] ). Hieruit volgt dat het de verdachte en haar moeder er kennelijk om te doen was dat door hen tegenover de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] gedane uitlatingen verder verspreid en door een breder publiek besproken zouden worden."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2762c8e1b7de1a65674e9db66272fae6b6db264001340df7ad8eb533a987084e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2762c8e1b7de1a65674e9db66272fae6b6db264001340df7ad8eb533a987084e, en de alinea staat in dat document op bytes 14321 tot 15183.