Citaat | Hoge Raad 19 februari 2016

Onder 3.3.4 Hoge Raad 19 februari 2016

Een alinea uit Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:286.

In zijn beschikking van 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295, NJ 2010/184, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de strekking van het getuigenverhoor op grond van art. 66 Fw een andere is dan de strekking van het voorlopig getuigenverhoor. Het door de rechter-commissaris op de voet van art. 66 Fw gehouden verhoor vindt immers niet plaats in het kader van een geschil tussen partijen dat voorwerp is van een aanhangige of mogelijk aanhangig te maken procedure. Het dient daarentegen ertoe de rechter-commissaris - en met hem de curator - door het horen van getuigen in staat te stellen ten aanzien van alle omstandigheden die het faillissement betreffen, opheldering te verkrijgen. Van een “wederpartij” is dan ook geen sprake en het verhoor vindt niet plaats op een openbare zitting. Aan de verklaringen die door de getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris zijn afgelegd, komt (dan ook) niet de bewijskracht toe die art. 192 Rv toekent aan getuigenverklaringen die in een voorlopig getuigenverhoor zijn afgelegd. De rechten van een derde ten aanzien van bewijslevering in een eventuele latere procedure worden dan ook niet door het verhoor op grond van art. 66 Fw geraakt. Art. 6 EVRM is hier niet rechtstreeks van toepassing omdat dit verhoor niet betrekking heeft op “het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen” in de zin van die bepaling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/831e2b38842d3d54c4d1804e6a4d49e7ec1d5729b86c8eb382d71464c0f100a7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 831e2b38842d3d54c4d1804e6a4d49e7ec1d5729b86c8eb382d71464c0f100a7, en de alinea staat in dat document op bytes 18212 tot 19616.