Citaat | Hoge Raad 16 december 2016

Onder 3.3.3 Hoge Raad 16 december 2016

Een alinea uit Hoge Raad 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2888.

Blijkens hetgeen hiervoor in 3.3.2 is vermeld, is sprake van een gevestigde rechtspraak van het EHRM, inhoudende dat toekomstige inkomsten alleen dan als eigendom in de zin van art. 1 EP kunnen worden aangemerkt wanneer zij reeds zijn verdiend of wanneer daarop een rechtens afdwingbare aanspraak bestaat. Anders dan onderdeel 1.1.3 betoogt, is het onderscheid tussen toekomstige inkomsten die niet, en vormen van eigendom die wel onder de reikwijdte van art. 1 EP vallen, als zodanig niet arbitrair noch levert het een door art. 14 EVRM verboden vorm van onderscheid op. Dat onderscheid hangt immers, anders dan genoemd onderdeel kennelijk aanneemt, niet samen met de aard of organisatievorm van de desbetreffende onderneming, maar vloeit voort uit de strekking van art. 1 EP om bestaande eigendomsrechten te beschermen en niet de mogelijkheid om in de toekomst eigendom te verwerven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5a138e7bc7283f93a15f989aa65c0aa94452eb63e68997fc483c41d7ff3e0896. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5a138e7bc7283f93a15f989aa65c0aa94452eb63e68997fc483c41d7ff3e0896, en de alinea staat in dat document op bytes 26697 tot 27596.