Citaat | Hoge Raad 20 december 2016
Onder 2.3.6. Hoge Raad 20 december 2016
Een alinea uit Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889.
Dat het bij de strafbaarstelling van oplichting gaat om gevallen waarin de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken, brengt mee dat aldus niet slechts het vertrouwen wordt beschermd van die ander tegen vermogensnadeel dat hij lijdt, maar ook meer algemeen het vertrouwen dat het publiek ten behoeve van het maatschappelijk en economisch verkeer tot op zekere hoogte mag stellen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen. Dit laatste komt in de rechtspraak van de Hoge Raad tot uitdrukking in verschillende voor de beoordeling van het gewicht van het gehanteerde oplichtingsmiddel relevant geachte omstandigheden als: het misbruik maken van een in het maatschappelijk verkeer geldend verwachtingspatroon , het verstrekken van onbruikbare contactgegevens of het veelvuldig herhalen van identieke gedragingen in relatie tot telkens weer andere (beoogde) slachtoffers (vgl. het arrest waarin mede een rol speelde het 'zichtbare gedragspatroon' van de verdachte, bestaande uit het 'telkenmale' onder valse voorwendselen van verschillende personen geld vragen en voor zichzelf aanwenden).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2737dc2e9b7b17d08544a1d8ef3c4c2f90c2577a2f08e8e1d4ec7f4748b41e58. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2737dc2e9b7b17d08544a1d8ef3c4c2f90c2577a2f08e8e1d4ec7f4748b41e58, en de alinea staat in dat document op bytes 19472 tot 20932.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2737dc2e9b7b17d08544a1d8ef3c4c2f90c2577a2f08e8e1d4ec7f4748b41e58 | shasum -a 256