Citaat | Hoge Raad 20 december 2016
Onder 3.2.2. Hoge Raad 20 december 2016
Een alinea uit Hoge Raad 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889.
Ik wil aangifte doen van oplichting via internet, gepleegd op 29 augustus 2011 te Amsterdam. Op 29 augustus 2011 zag ik op Marktplaats een advertentie staan van een iPhone 4. Ik zag dat de iPhone 449,95 euro moest kosten. Ik heb hierop telefonisch contact gehad met de aanbieder van de iPhone. Dit was op telefoonnummer 06- [001] . De aanbieder noemde zichzelf [verdachte] (fonetisch). Ik ben telefonisch overeengekomen met [verdachte] om de iPhone te kopen voor 449,95 euro. Hij gaf mij een rekeningnummer om het geld op over te maken. Ik zou daarna de iPhone op kunnen halen. Ik heb vervolgens 449,95 euro overgemaakt naar het volgende rekeningnummer: [002] . Dit was ter attentie van [verdachte] . Ik heb hierna een sms gestuurd naar [verdachte] dat ik het geld had overgemaakt. [verdachte] stuurde mij een sms terug dat ik de iPhone kon ophalen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2737dc2e9b7b17d08544a1d8ef3c4c2f90c2577a2f08e8e1d4ec7f4748b41e58. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2737dc2e9b7b17d08544a1d8ef3c4c2f90c2577a2f08e8e1d4ec7f4748b41e58, en de alinea staat in dat document op bytes 29449 tot 30311.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2737dc2e9b7b17d08544a1d8ef3c4c2f90c2577a2f08e8e1d4ec7f4748b41e58 | shasum -a 256