Citaat | Hoge Raad 23 december 2016
Onder 3.2.2 Hoge Raad 23 december 2016
Een alinea uit Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2988.
NBM heeft haar beroep op verjaring als volgt toegelicht. Met het voorbehoud in de vaststellings-overeenkomst is de opeisbare vordering tot vergoeding van toekomstige schade omgezet in een vordering tot nakoming na onbepaalde tijd. Daarom loopt op grond van art. 3:307 lid 2 BW de verjaringstermijn van vijf jaar die ingevolge art. 3:307 lid 1 BW geldt voor de vordering tot nakoming van een overeenkomst, vanaf de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Dat neemt echter niet weg dat de onderhavige vordering reeds vanaf 1985 opeisbaar was. Dit laatste betekent dat de tevens in art. 3:307 lid 2 BW genoemde verjaringstermijn van twintig jaar, die aanvangt op de dag waartegen opeising op zijn vroegst mogelijk was, in 1985 is aangevangen en dus in 2005 is geëindigd. Aangezien [verweerder] de verjaring van zijn vordering in de tussentijd niet heeft gestuit, is zijn vordering op grond van laatstgenoemde bepaling verjaard.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b242cf40be4a4bcacb0de080d43d6116dab7ce8d98c54ae1be2f4bef897c0bcb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b242cf40be4a4bcacb0de080d43d6116dab7ce8d98c54ae1be2f4bef897c0bcb, en de alinea staat in dat document op bytes 20120 tot 21120.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b242cf40be4a4bcacb0de080d43d6116dab7ce8d98c54ae1be2f4bef897c0bcb | shasum -a 256