Citaat | Hoge Raad 23 december 2016
Onder 3.17.1 Hoge Raad 23 december 2016
Een alinea uit Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998.
“Met betrekking tot het van toepassing zijnde bewijsrecht wordt het volgende opgemerkt. Op grond van artikel 284, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het bewijsrecht uit de dagvaardingsprocedure ook op de verzoekschriftprocedure van toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Op grond van die laatste passage wordt in ontbindingsprocedures meestal geen getuigenbewijs toegelaten, maar het kan wel. Verwezen wordt in dit verband naar aanbeveling 1.1 van de Kring van Kantonrechters. Omwille van de snelheid van de procedure lijkt een aan de mondelinge behandeling voorafgaande schriftelijke wisseling van processtukken of het houden van een getuigenverhoor niet altijd passend te zijn. In bijzondere omstandigheden, ter beoordeling aan de rechter, kan zulks echter wel aangewezen zijn, zoals in een procedure op grond van artikel 7:681 BW waarbij de vraag speelt of sprake is van een terecht ontslag op staande voet. Een rechter kan een aan hem in een verzoekschrift voorgelegd aanverwant geschil kwalificeren als een voornoemde bijzondere omstandigheid waardoor alle bewijsrechtelijke mogelijkheden hem ten dienste staan.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4472077a3e3978ba13c85da85d5d9aa9a5e1ccd250c359472af7cff2fe4b335d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4472077a3e3978ba13c85da85d5d9aa9a5e1ccd250c359472af7cff2fe4b335d, en de alinea staat in dat document op bytes 45420 tot 46597.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4472077a3e3978ba13c85da85d5d9aa9a5e1ccd250c359472af7cff2fe4b335d | shasum -a 256