Citaat | Hoge Raad 26 februari 2016
Onder 3.2.3 Hoge Raad 26 februari 2016
Een alinea uit Hoge Raad 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:335.
ASR heeft de aanspraak van [eiser] overeenkomstig het bepaalde in art. 7:942 lid 2, tweede zin, (oud) BW bij aangetekende brief van 31 oktober 2008 afgewezen onder de (uitdrukkelijke) vermelding van de van toepassing zijnde verjaringstermijn. Als gevolg daarvan begon de verjaringstermijn van zes maanden als bedoeld in art. 7:942 lid 3 (oud) BW te lopen. Indien [eiser] wilde voorkomen dat de door hem gestelde rechtsvordering jegens ASR zou verjaren, diende hij de verjaring vervolgens (telkens) binnen zes maanden te stuiten (zie art. 3:319 lid 2, eerste volzin, BW). Niet nodig was dat ASR telkens opnieuw bij aangetekende brief de aanspraak ondubbelzinnig afwees en evenmin dat ASR daarbij telkens ondubbelzinnig het in art. 7:942 lid 3 (oud) BW vermelde gevolg vermeldde. (rov. 4.5)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8946c588035fdbf265624b9e5835bbdbc0edb60aa0072d331b54cd61b2ae20d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8946c588035fdbf265624b9e5835bbdbc0edb60aa0072d331b54cd61b2ae20d, en de alinea staat in dat document op bytes 10942 tot 11744.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d8946c588035fdbf265624b9e5835bbdbc0edb60aa0072d331b54cd61b2ae20d | shasum -a 256