Citaat | Hoge Raad 26 februari 2016
Onder 4.4.4 Hoge Raad 26 februari 2016
Een alinea uit Hoge Raad 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:339.
Blijkens de parlementaire geschiedenis is bij de totstandkoming van art. 6:119a lid 2 BW aangenomen dat in Nederland steeds met facturen wordt gewerkt en daarom kon worden volstaan met verwijzing in deze bepaling naar de ontvangst van een factuur (Kamerstukken II 2001-2002, 28 239, nr. 3, p. 9). Nu volledige omzetting van de richtlijn is beoogd (zie hiervoor in 4.4.2) en de parlementaire geschiedenis geen aanknopingspunt bevat om aan te nemen dat is bedoeld art. 6:119a lid 2 BW niet van toepassing te doen zijn indien in voorkomend geval geen gebruik wordt gemaakt van een factuur, maar van een gelijkwaardig verzoek tot betaling, moet worden aangenomen dat de regeling van art. 6:119a lid 2 BW ook laatstgenoemd geval bestrijkt. Dit betekent dat in een geval waarin geen uiterste dag van betaling is overeengekomen en geen sprake is van ontvangst van een factuur, maar wel van een gelijkwaardig verzoek tot betaling, de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente steeds moet worden bepaald aan de hand van dat artikel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/13f177bddaf862786d1bceea8dd84ec5c6ac4aa63892808def2eeb4871a7b48e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 13f177bddaf862786d1bceea8dd84ec5c6ac4aa63892808def2eeb4871a7b48e, en de alinea staat in dat document op bytes 19028 tot 20066.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/13f177bddaf862786d1bceea8dd84ec5c6ac4aa63892808def2eeb4871a7b48e | shasum -a 256