Citaat | Hoge Raad 4 maart 2016

Onder 2.3.2. Hoge Raad 4 maart 2016

Een alinea uit Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:352.

In zijn arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft de Hoge Raad een overzicht gegeven van diverse kwesties met betrekking tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De onderdelen 3.3.1 en 3.4.2 van dat arrest houden – voor zover hier van belang – als uitgangspunten in dat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg eindigt twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur, dat in die termijn de duur van een eventuele verzetprocedure is begrepen, en dat de termijn voor berechting in eerste aanleg ingeval de rechtbank het verzet ongegrond verklaart, eindigt op het moment waarop de rechtbank die beslissing neemt. Dit brengt mee dat ook nog in de verzetprocedure een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden gedaan. Er bestaat onvoldoende aanleiding om van deze regel af te wijken in gevallen waarin de redelijke termijn reeds was verstreken op het moment waarop de in verzet bestreden uitspraak werd gedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2e6fc348ba940da2cfa1ed1ea19f384fce20f95cb0b400a0919010a908b7ac85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2e6fc348ba940da2cfa1ed1ea19f384fce20f95cb0b400a0919010a908b7ac85, en de alinea staat in dat document op bytes 8271 tot 9356.