Citaat | Hoge Raad 4 maart 2016

Onder 4.2 Hoge Raad 4 maart 2016

Een alinea uit Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:374.

Deze klacht is gegrond. De vordering van de vrouw op de man tot voldoening van een gebruiksvergoeding, die het hof kennelijk heeft toegewezen op de voet van art. 1:165 BW, is eerst ontstaan en opeisbaar geworden als gevolg van de beschikking van het hof van 28 mei 2014 waarbij die gebruiksvergoeding aan de vrouw is toegekend. Derhalve kan de man vóór 28 mei 2014 niet met de voldoening van de gebruiksvergoeding in verzuim zijn geweest als bedoeld in art. 6:119 lid 1 BW in verbinding met de art. 6:81-87 BW. Het hof heeft dan ook ten onrechte ook wat betreft de gebruiksvergoeding die voor de periode van 22 mei 2013 tot 28 mei 2014 aan de vrouw is toegekend, bepaald – zoals zijn beschikking kennelijk moet worden verstaan – dat daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf de eerste dag van iedere maand van dat gebruik.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c4bfab432774b0df9f376791252c0f141d7e2778fe4845a8df5095f4fc8261a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c4bfab432774b0df9f376791252c0f141d7e2778fe4845a8df5095f4fc8261a, en de alinea staat in dat document op bytes 13470 tot 14320.