Citaat | Hoge Raad 15 maart 2016

Onder 2.4. Hoge Raad 15 maart 2016

Een alinea uit Hoge Raad 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:407.

Op grond van de hiervoor beschreven situatie hoefde de politie [verdachte] ten tijde van en kort na het aantreffen van het meisje in de sloot niet als verdachte van een strafbaar feit aan te merken. [verdachte] maakte zich tegenover de politie herhaaldelijk bekend als hulpverlener (Noodarts). Hoewel op een bepaald moment bij een aantal politiemensen het 'onderbuikgevoel' is ontstaan dat sprake zou kunnen zijn van een strafbaar feit gepleegd jegens [slachtoffer] , dan wel op een zeker moment een dergelijke gedachte in het hoofd van politiemensen opkwam, maakt dat nog niet dat daarmee sprake was van een redelijk vermoeden van schuld jegens [verdachte] .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c3b6d76156a43e7c2c782102921cf5a4176fcb82bffe6c71c5765782eaa026b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c3b6d76156a43e7c2c782102921cf5a4176fcb82bffe6c71c5765782eaa026b, en de alinea staat in dat document op bytes 14319 tot 14991.