Citaat | Hoge Raad 22 maart 2016
Onder 2.3. Hoge Raad 22 maart 2016
Een alinea uit Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.
Op grond van vorenstaande uitlatingen stelt het hof vast dat bij de verdachte als gevolg van de aanranding weliswaar een gemoedsbeweging is teweeggebracht, maar dat deze niet als hevig valt aan te merken. Maar zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat er wel van een hevige gemoedsbeweging sprake is geweest, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte zich niet met vrucht op de hier besproken schulduitsluitingsgrond van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan beroepen, aangezien het hof, gelet op de beperkte intensiteit van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging en gegeven de verregaande mate waarin de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, niet aannemelijk acht dat die gemoedsbeweging voor de gedraging van de verdachte - het tot zestien maal toe steken en/of snijden van het slachtoffer - van doorslaggevend belang is geweest en derhalve niet aannemelijk acht dat deze gedraging het onmiddellijk gevolg van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging is geweest.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebeac12661752b76c2a8c6a0b4737690a983e69316bdf99bf41994f64167b94c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebeac12661752b76c2a8c6a0b4737690a983e69316bdf99bf41994f64167b94c, en de alinea staat in dat document op bytes 18018 tot 19062.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ebeac12661752b76c2a8c6a0b4737690a983e69316bdf99bf41994f64167b94c | shasum -a 256