Citaat | Hoge Raad 25 maart 2016

Onder 3.5.2 Hoge Raad 25 maart 2016

Een alinea uit Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507.

Het hof heeft een feitelijk oordeel gegeven over de vraag of in dit geval sprake is van opzet in de zin van art. 7:930 lid 5 BW, dat is gebaseerd op het voor de verzekeringnemer kenbare belang van de gevraagde inlichtingen, in samenhang met de door [eiser] zelf gedane uitlatingen (zie voor dit laatste de rov. 4.3 en 4.8 van het bestreden arrest). Op zichzelf terecht betogen de onderdelen dat tegen een zodanig oordeel de mogelijkheid van tegenbewijs openstaat. De juistheid van dit betoog kan [eiser] echter niet baten omdat, anders dan de onderdelen aanvoeren, door hem geen algemeen (laat staan een op het vorenstaande toegespitst) bewijsaanbod is gedaan. De memorie van grieven bevat op de door de onderdelen aangehaalde plaats immers slechts de volgende passage:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/06edada15f2ec44c20d4c2f80dea5790df7a495ed6d1086af38dd88d48e4e5e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 06edada15f2ec44c20d4c2f80dea5790df7a495ed6d1086af38dd88d48e4e5e5, en de alinea staat in dat document op bytes 17218 tot 18000.