Citaat | Hoge Raad 8 april 2016
Onder 5.2 Hoge Raad 8 april 2016
Een alinea uit Hoge Raad 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:604.
Volgens vaste rechtspraak dient de rechter bij de bepaling van het bedrag aan schadevergoeding dat op grond van gebleken kennelijke onredelijkheid van het ontslag als bedoeld in art. 7:681 (oud) BW billijk is te achten, alle omstandigheden van het geval ten tijde van het einde van de dienstbetrekking in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen. Omstandigheden die na het einde van de dienstbetrekking intreden, dient de rechter daarentegen buiten beschouwing te laten, behoudens voor zover daaruit aanwijzingen zijn te putten voor hetgeen uiterlijk op het tijdstip van ingang van het ontslag kon worden verwacht met betrekking tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (vgl. HR 17 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7282, NJ 1999/266; HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1717, NJ 2005/119).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e77396cbf1ea4619135103ad470746db6f369910e510c3199c2b260a85ea5acb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e77396cbf1ea4619135103ad470746db6f369910e510c3199c2b260a85ea5acb, en de alinea staat in dat document op bytes 30455 tot 31270.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e77396cbf1ea4619135103ad470746db6f369910e510c3199c2b260a85ea5acb | shasum -a 256