Citaat | Hoge Raad 26 april 2016

Onder 3.2. Hoge Raad 26 april 2016

Een alinea uit Hoge Raad 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:742.

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563.)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5b01f9938599f8b6e96446449516ea099624ae5583402e4d9083f1c06c71b02e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5b01f9938599f8b6e96446449516ea099624ae5583402e4d9083f1c06c71b02e, en de alinea staat in dat document op bytes 78895 tot 79746.