Citaat | Hoge Raad 29 april 2016

Onder 3.6. Hoge Raad 29 april 2016

Een alinea uit Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:759.

Deze situatie doet zich hier voor. Het beroep van [eiser] op het (…) arrest van de Hoge Raad uit 1928 [2 november 1928, NJ 1928, p. 1682; toevoeging Hoge Raad] kan hem niet baten. In dit arrest is beslist dat een in het proces-verbaal van de verificatievergadering opgetekende erkenning van een vordering weliswaar kracht van gewijsde zaak heeft tegen de schuldenaar, maar dat daarmee aan die erkenning nog niet het gezag toekomt dat artikel 1953 onder 3 BW (oud) aan een rechterlijk gewijsde geeft. In deze bepaling is “(h)et gezag hetwelke de wet aan een regterlijk gewijsde toekent” als wettelijk vermoeden gekwalificeerd en is in artikel 1954 BW (oud) het gezag van gewijsde van een rechterlijk vonnis geregeld. In voormeld arrest is beslist, kort samengevat, dat artikel 196 Fw slechts de strekking heeft de erkenning bij de verificatie gezag van gewijsde te verlenen tegenover de schuldenaar maar niet tegenover de betrokken schuldeiser. In het onderhavige geval is deze beperking van het gezag van gewijsde van een erkenning van een vordering in faillissement echter niet aan de orde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ab449b3e86e53df85dadcdd8cd3f73da18a7d9fc820b992fdea94dce10a5e82. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ab449b3e86e53df85dadcdd8cd3f73da18a7d9fc820b992fdea94dce10a5e82, en de alinea staat in dat document op bytes 18809 tot 19919.