Citaat | Hoge Raad 29 april 2016
Onder 3.4.4 Hoge Raad 29 april 2016
Een alinea uit Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:759.
In dit verband is van belang dat de bestaansgrond van de in art. 3:324 lid 1 BW op twintig jaar gestelde verjaringstermijn van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak, daarin is gelegen dat door die uitspraak het bestaan van de desbetreffende verplichting dwingend is vastgesteld en de eisende partij heeft doen blijken nakoming te wensen (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 941). Deze bestaansgrond doet ook opgeld in het geval dat de schuldeiser zijn vordering ter verificatie heeft ingediend, en deze vordering vervolgens op de verificatievergadering is erkend en door de gefailleerde niet is betwist.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ab449b3e86e53df85dadcdd8cd3f73da18a7d9fc820b992fdea94dce10a5e82. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ab449b3e86e53df85dadcdd8cd3f73da18a7d9fc820b992fdea94dce10a5e82, en de alinea staat in dat document op bytes 26142 tot 26781.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6ab449b3e86e53df85dadcdd8cd3f73da18a7d9fc820b992fdea94dce10a5e82 | shasum -a 256