Citaat | Hoge Raad 29 april 2016
Onder 4.6.3 Hoge Raad 29 april 2016
Een alinea uit Hoge Raad 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769.
De op art. 3:305a BW gebaseerde vorderingen in E onder I en II van de memorie van grieven strekken onder meer ertoe dat voor recht wordt verklaard dat bedingen uit de AB15, AB34, AB37 en AB00 onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar zijn, en zijn niet gericht op de hiervoor aan het slot van 4.6.2 bedoelde bijzondere gevolgen. Art. 6:241 lid 1 BW staat daarom, anders dan het hof heeft gemeend, niet aan het instellen van die vorderingen in deze procedure in de weg. Het middel is derhalve gegrond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/247f5770fa2987d9d3ee28ebf016b14c52b478900482338a2f22995a31f8bfe8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 247f5770fa2987d9d3ee28ebf016b14c52b478900482338a2f22995a31f8bfe8, en de alinea staat in dat document op bytes 24871 tot 25387.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/247f5770fa2987d9d3ee28ebf016b14c52b478900482338a2f22995a31f8bfe8 | shasum -a 256