Citaat | Hoge Raad 13 mei 2016

Onder 2.1.2. Hoge Raad 13 mei 2016

Een alinea uit Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:832.

Belanghebbende heeft de bestelauto verkocht, waarna deze op 29 februari 2012 is gesteld op naam van een persoon die geen ondernemer was als bedoeld in artikel 7 van de Wet OB. Belanghebbende heeft ter zake daarvan niet op de voet van artikel 13a, lid 3, derde volzin, van de Wet een bedrag aan bpm op aangifte voldaan. Op grond hiervan heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Bij de berekening van de nageheven bpm (€ 5240) is de Inspecteur uitgegaan van het bedrag aan bpm dat in 2011 met inachtneming van de op dat moment geldende, in artikel 8, lid 6, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling), opgenomen afschrijvingstabel voor de bestelauto verschuldigd zou zijn geweest indien de hiervoor in 2.1.1 bedoelde vrijstelling niet van toepassing was geweest. Dit bedrag is door de Inspecteur gesteld op € 6170. Het nageheven bedrag heeft hij berekend door het bedrag van € 6170 op de voet van artikel 13a, lid 3, eerste en tweede volzin, van de Wet te verminderen met toepassing van de in 2012 geldende tabel van artikel 8, lid 6, van de Uitvoeringsregeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b8ac5b0cf2125590a550d76848433f9d15ba2ca96845ea60026ddb16f52937f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b8ac5b0cf2125590a550d76848433f9d15ba2ca96845ea60026ddb16f52937f8, en de alinea staat in dat document op bytes 7515 tot 8687.